James Rebanks: ‘Het Herdersleven’

Wie ‘Het herdersleven’ leest, komt veel te weten over schapen. Maar veel meer dan over schapen, gaat dit boek over leven. Over familiewaarden en individuele keuzes. Over tradities en voortdurend veranderende opvattingen. En over hoe je besluit, welk verhaal je wilt vertellen. Het verhaal van het herdersleven, in dit geval.

James Rebanks groeit op als jongste zoon van een herder, die ook weer de jongste zoon was van een herder in het Lake Disctrict (en niet, in beide gevallen, als oudste, al beweert de uitgever dat zowel online als op de achterflap van het boek). Zijn boek is ‘deels een uitleg over ons werk in de loop van het jaar; deels een herinnering aan de tijd dat ik hier vanaf de jaren zeventig opgroeide (…), en deels een hervertelling van de geschiedenis van het Lake Disctrict, vanuit het perspectief van de mensen die er wonen en dat al eeuwenlang hebben gedaan.

Het eerste, inleidende hoofdstuk heet ‘hefted’; waarbij een ‘heft’ zowel een stuk weiland is als een schaap dat instinctief is gehecht, ofwel hefted, aan dat land. Rebanks vertelt hoe zijn lerares op de lagere school de kinderen aanspoort iets van hun leven te maken. Weg van de bekrompen, provinciale manier van leven van hun ouders, en weg van vieze en uitzichtloze, eenvoudige banen. Het dringt voor het eerst tot de jonge James door dat zijn lerares geen idee heeft van hoe hij zijn eigen leven ervaart, het idee van lokale bewoners zoals zijn familie als ‘trotse, hardwerkende en intelligente mensen die iets waardevols (…) deden, leek voor haar te hoog gegrepen.’ Deze bijna terloopse zin, met het venijn in de staart (‘te hoog gegrepen’) legt de trots van de auteur op de cultuur en levenswijze van zijn familie fraai bloot. Het onthult de drijfveer om te schrijven; om iets recht te zetten, om bij te dragen aan een wereld van opvattingen waarin hij zich niet herkent.
Want terwijl Rebanks’ familie al decennia boert op het stugge en ruige land, vertelt de lerares ook over schrijvers die bewonderend schrijven over het landschap. Het geromantiseerde landschap van de verbeelding, dat als reactie op industrialisatie werd gevormd door mensen als Wainwright en Wordsworth. ‘Cultureel imperialisme’ volgens de auteur, want deze dichters en dagdromers eigenen zich het landschap toe, terwijl de mensen die sinds jaar en dag in en met het landschap leven, niet in het verhaal voorkomen.
Dat in je dorp blijven en fysiek werk doen, er niet toe doet, is een ‘opvatting die ik ben gaan haten’,  stelt Rebanks. Het belang om vast te houden aan wie je bent, en te blijven waar je hoort, is iets waar hij als kind al van doordrongen is. Over zijn klas schrijft hij: ‘We waren vastbesloten om te blijven wie we altijd al waren geweest. Er waren er genoeg de heus wel intelligent waren, maar we hadden geen zin om dat op school te laten merken.’ En even verderop: ‘Mensen die hier weggingen, waren hier niet langer thuis, ze veranderden en kwamen nooit meer echt terug.’

Het introducerende hoofdstuk zet op krachtige manier de toon. De lezer krijgt zijn eigen opvattingen in zijn gezicht geslingerd, want wie van ons eigent zich niet, net als de romantische dichters van destijds, de landschappen toe waar we op vakantie gaan? Rebanks schrijft met een zweem van woede over de onwetendheid en arrogantie van mensen, behept met bepaalde culturele opvattingen. Deze woede is een belangrijke motor voor het verhaal, het houdt de vertelling steeds op spanning. Tegelijkertijd blijkt dat het voor Rebanks zelf ook niet zo eenvoudig is, welke keuzes gemaakt moeten worden – blijven of weggaan, bijvoorbeeld? Na ‘hefted’ neemt Rebanks ons mee in zijn zeer persoonlijke levensverhaal, en juist daarmee wint hij de lezer voor zijn manier van kijken naar de wereld.

Rebanks deelt zijn boek na ‘hefted’ op in vier hoofdstukken, elk met de titel van een seizoen. De eerste zin van ‘zomer’ zegt echter: ‘Er is geen begin en er is geen einde. De zon komt op en gaat onder, elke dag, de seizoenen komen en gaan. (…) De boerderijen en kudden blijven, belangrijker dan het leven van een enkele persoon. De wortels van ons boerenbestaan reiken meer dan vijfduizend jaar terug in de bodem van dit landschap’. Dat mag dan misschien een relativering lijken van wat zal volgen, namelijk de beschrijving van het leven van James Rebanks, maar het is tegelijkertijd een uitleg van de waarde(n) van dat leven.
Rebanks vertelt over de Matterdale vallei, over zijn familie van schapenboeren, over het landschap, de schapenrassen; Swaledales en Herdwicks. En over de manieren van werken van de herders, die onuitgesproken lijken te weten wat ze moeten doen, hoe ze het moeten doen, omdat ze zijn opgegroeid met deze werkwijzen. Over de veemarkten, de economie van het boeren, over herdershonden,  over het stapelen van muurtjes, over zijn grootvader en andere familieleden. Het verhaal wisselt in korte fragmenten van vroeger naar nu, en van beschrijvingen van concrete activiteiten naar reflecties over de, in ‘hefted’ aangestipte, culturele opvattingen. Zoals op pagina 99: ‘Het is heel vreemd om te ontdekken dat er andere mensen zijn die van jouw landschap houden. (…) Wat me vooral zorgen baarde, was dat de mensen die er zo over dachten ver in de meerderheid waren, met vele honderden tegenover één van ons. In een tijd waarin we steeds meer naar de pijpen van de politiek en de samenleving  in het algemeen moesten dansen, vond ik dat bedreigend voor ons bestaan, maar niemand leek zich hier druk om te maken.’
Lezen we in ‘zomer’ over de vroege jeugd van James, in ‘herfst’ gaat het over het sterven van zijn grootvader en de moeilijke financiële realiteit voor de familie Rebanks. Het schapenboeren loont niet voldoende, er lijkt geen toekomst. James botst voortdurend met zijn vader, ‘het oudste toneelstukje in de geschiedenis van boerenfamilies’. Bovendien ervaart hij steeds meer dat er buiten de eigen gemeenschap geen greintje respect is voor de manier van leven van herders. Niet bij leeftijdsgenoten, maar ook in toenemende mate niet meer in de maatschappij. De wereld verandert in rap tempo in de tijd dat James Rebanks opgroeit. Uiteindelijk besluit hij als 21-jarige weer naar school te gaan, en uiteindelijk komt hij in Oxford terecht. ‘Herfst’ besluit met de beschrijving van de tragedie van de mond- en klauwzeerepidemie van 2001. De kuddes die gedurende decennia zijn gefokt, worden weggevaagd, Rebanks ziet de dode dieren, die hij stuk voor stuk kent, in het land liggen en het lijkt alsof hij ‘goede vrienden dood ziet liggen.’ Zoals het seizoen afsterft, lijkt ook de levenswijze van de traditionele schapenboeren op een ongekend dieptepunt te zijn beland.

Doordat de kuddes weg zijn, moet er opnieuw worden opgebouwd, en dat doet Rebanks. Hij koopt schapen van een buurvrouw en die staan aan het begin van de kudde die hij nu nog steeds beheert. Uit de as van het verlies wordt een nieuw leven opgebouwd. Dat dat niet makkelijk gaat, beschrijft het hoofdstuk ‘winter’, waarin duidelijk wordt hoe hard dit seizoen voor een boer en de schapen kan zijn. Rebanks schrijft het allemaal zo op dat je als lezer tegelijkertijd rilt van de kou en zucht van bewondering voor zijn prachtige, heldere schrijfstijl. Pakken sneeuw, vossenjacht, oude ooien die de kudde redden; het is allemaal even mooi.
Maar ook technologie doet zijn intrede in het boerenbestaan, en Rebanks leidt zelf inmiddels een ‘dubbelleven’; hij is afgestudeerd aan Oxford, en werkt als adviseur van het World Heritage Centre van Unesco. Tegelijkertijd is hij ook nog boer. Rebanks zegt daarover ‘Begrijp me niet verkeerd, voor mijn vader en mij draait het leven nog steeds om schapen. Hij weet dat ze mijn obsessie zijn en dat ik me er als het even kon geheel aan zou wijden, maar hij weet ook dat je hier andere dingen moet doen om de kost te verdienen, en dat is altijd zo geweest.’ Zijn huwelijk met Helen, de geboorte van kinderen, en de lammertijd komen aan de orde in het laatste deel, ‘lente’. Zo wordt door de seizoenen heen duidelijk wat James Rebanks’ verhaal is, en welke keuzes hij zelf heeft gemaakt om de levenswijze van zijn familie als schapenboer in het Lake District te kunnen voortzetten. De structuur van de tekst met korte fragmenten en meanderende sprongen in de tijd onderstreept het feit dat er door alle seizoenen heen een tijdloosheid in het leven zit, er is het hier en nu, maar er is tegelijkertijd het leven van voorouders dat nog steeds invloed doet gelden.

James Rebanks beschrijft met bijzondere toewijding alle werkzaamheden en gedragscodes van het boerenbestaan, tot in detail. Het is onthutsend hoe meeslepend Rebanks dit alles weet te maken; na lezing zul je nooit meer achteloos een schaap voorbij lopen.
Rebanks is geworteld en traditioneel, hij geeft zich met liefde over aan de levenswijze van zijn voorouders. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat het ‘dubbelleven’ méér is dan een economische noodzaak, zoals in het voorgaande citaat wordt beweerd. Het gaat niet alleen om de kost verdienen, maar ook om trots zijn op je geschiedenis,  het delen van kennis over het boerenbestaan, het voeren van een pleidooi voor de waarden van deze manier van leven. En, hoe venijnig ook de inleiding, het gaat tegelijkertijd over dat je zowel boer kunt zijn als virtuoos schrijver, die dichters en dromers zoals Wordsworth zijns ondanks in de taal  herkent. James Rebanks leverde met ‘Het herdersleven’ een inspirerend en meeslepend boek. Iedereen die nadenkt over hoe hij zijn leven wil leven – en wie doet dat niet? – moet dit boek lezen.

 

2 gedachten over “James Rebanks: ‘Het Herdersleven’”

  1. Hey Agmar, dank voor de tip. Ben het meteen gaan lezen. Maarrrr: ben al vrij snel gestopt omdat ik me ergerde aan de vele herhalingen over de eeuwenlange traditie van het schaaphoeden (jahaaa nou weten we het wel een keer) en over hoe goed en belangrijk dat is. Heb het geen recht kunnen doen vrees ik.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *