ECI Literatuurprijs #5: ‘Zachte Riten’, Marja Pruis

Marja Pruis schreef een boek dat gaat over leven in literatuur. Haar hoofdpersoon is Guusje Bouhuys, poëziedocente aan de universiteit. In het eerste hoofdstuk bezoekt zij als jonge vrouw samen met haar broer Lucas New York, om een door haar bewonderde oudere schrijfster te interviewen. ‘Geen vuurwerk’, volgens Sebastiaan Kort, maar is dat eigenlijk wel zo?
De wat in zichzelf gekeerde broer Lucas is haar zeer lief: ‘Ik had het naar mijn zin met Lucas en hij met mij, die humeurigheid had niet zoveel met mij te maken, later begreep ik dat. Later. Wanneer ben je echt op je gemak bij iemand? Ook als hij chagrijnig is? Er vallen ons maar weinig mensen ten deel om lief te hebben (…)‘ Het openingshoofdstuk presenteert in de tijd bevroren scènes waarin het verbond tussen broer en zus nog beide bondgenoten kent, terwijl je al aanvoelt dat het veel te vol verleden tijd zit.

De volgende hoofdstukken volgen Guusjes leven: onder meer als docente die een poëziepracticum verzorgt voor een handvol studenten, als vriendin van de stervende Ellie (die altijd ieders steun en toeverlaat op het secretariaat van de vakgroep was), als vriendin van collega Leon.
De manier waarop Pruis het verhaal vertelt, via verteller Guusje, is technisch sterk. De stem van Guusje heeft eigenheid en kleur, is consistent en overtuigend. Guusje brengt een bepaalde subtiliteit en melancholie in het verhaal, maar ook een forse rigiditeit. Dat behoeft wat uitleg.

Want waar gaat dit boek nu werkelijk over? Als motto is een citaat van Cees Nooteboom opgevoerd: ‘Er was een merkwaardige eenheid in alles, het geluid van het water, de duisternis die langzaam over de wereld zakte en de nevel dringender, somberder van kleur maakte, het leek allemaal één ding. En dan was er ook nog het geluid van krekels, nu nog, in oktober, en dat was wat ze riepen, oktober, oktober.’ Ahá, een schrijver aan het woord, die een rond verhaaltje maakt, waarin zelfs de krekel lustig meedoet. De veronderstelde eenheid en samenhang in de natuur is een metafoor voor eenheid en samenhang in de wereld van de taalconstructies; de wereld van de literatuur. En Guusje werkt buitengewoon hard aan de instandhouding van de eenheid van deze wereld.

Abraham de Winter vraagt Guusje te onderzoeken of haar beste vriend Leon plagiërende praktijken inzet om zijn proefschrift te realiseren. Heel fraai voert Pruis de spanningsboog op-  Guusje die geen ja en geen nee zegt op de vraag van De Winter, maar wel zaken in ander licht gaat zien, en zelfs stiekem op onderzoek uitgaat in de werkkamer van Leon. Maar alsmaar duidelijker wordt, dat het oordeel ‘plagiaat’ misschien vooral een manier is om iemand buiten een bepaalde besloten wereld te plaatsen- want wat is dat eigenlijk precies, plagiaat? Literatuurwetenschap is in ‘Zachte Riten’ een zorgvuldig opgebouwde wereld van constructies over constructies. Daarin is het gebruik maken van en voortborduren op dat wat anderen al gezegd hebben, dagelijkse praktijk. In de geschetste vakgroep lijkt het voornamelijk te gaan over virtuositeit van construeren: van het construeren van een goed verhaal, van status en identiteit, van sekse, van wetenschappelijk imago. Succesvolle combinaties van het zelf, en van eerder gezegd en geschreven: dat is wat de wereld (van de literatuurwetenschap) draaiende houdt.
Het eerste hoofdstuk waarin Guusje ingaat op haar werk als poëziedocente, opent bijvoorbeeld met een bespiegeling over ‘mooie meisjes’, en een beschrijving van studente Teuntje, haar uiterlijk, zieleroerselen en uitspraken. Meisjes en jongens zijn heel andere wezens, Guusje is daar stellig in. Op pagina 38 bijvoorbeeld: ‘Meisjes zijn ijverig, jongens willen echt iets weten.’  Pagina 49: ‘Jongens vormen hun eigen planeet.’ En op pagina 243, waar Guusje haar leerlingen beoordeelt, schrijft ze onder het essay van één van de meisjes ‘lieverdje’, en lezen we ergens verderop: ‘Yme had een 9, de jongens excelleren, het is niet anders.’ Het is niet anders; niet in de wereld van Guusje, en niet in de wereld van de literatuur, die drijft op rigide en schetsmatige beelden van mannen en vrouwen. De studente die wél excelleert, krijgt te horen dat ze zeker door moet gaan in de literatuurwetenschap. Als dit meisje, Femke, verzucht dat ze zo’n hekel kan hebben aan dat wat ze schrijft, bijt Guusje haar toe: ‘Ja ik snap het, Fem, maar je moet echt ophouden met dit gezanik, met dit wijvengedoe, snap jij wat ík bedoel.’ Dat het daarna stilvalt is niet zo vreemd; Femke heeft immers lesgehad van en opgekeken tegen iemand die dit ‘wijvengedoe’ zelf behoorlijk cultiveert in denken en doen.
Het inkijkje in Guusjes manier van lesgeven, dat wat ze haar studenten vertelt, en hoe ze tegen hen aankijkt: het is een inwijding in bepaalde clichés van denken over literatuur. Guusje zegt bijvoorbeeld over gedichten: ‘Heel veel gedichten lijken alleen maar op gedichten. Maar ze zijn het niet echt.’ Volgens Guusje zien alleen dichters, en Guusje zelf, het verschil tussen ‘echt’ en ‘nep’. Alleen diegenen die bij de hermetische literaire wereld horen, bepalen wat ‘echt’ is; zo vormt dat een aardig perpetuum mobile van onderlinge bevestiging. Guusje doceert ook: ‘Iedere lezer van poëzie is de lezer van zijn eigen ik. Het werk van de dichter is niet meer dan een soort optisch instrument dat hij de lezer aanreikt om hem in de gelegenheid te stellen waar te nemen wat hij zonder het gedicht waarschijnlijk nooit in zichzelf gezien zou hebben. De herkenning door de lezer van zijn eigen ik in het gedicht is het bewijs van de waarheid ervan.’ De waarheid maarliefst…beste lezer, is dit nou ernst of parodie?

Guusje is iemand bij wie het één en ander wel daagt; haar melancholische toon is niet voor niets. Ze weet best dat Leon vooral goed is in het grote gebaar, ze weet dat Ellie naar huis komt om te sterven. Wat Guusje probeert is alles sussen, dempen, ze probeert het craquelé in haar hermetische wereld zachtjes weg te poederen. Rest de vraag waarom.
Voor Guusje is de wereld van de literatuur ook die van loyaliteit en liefde. Het is dus wel degelijk ook de wereld van de natuur, of de menselijke natuur wellicht. Guusje voelt zich op haar gemak bij Leon, ze houdt van Ellie, ze voelt affectie voor en betrokkenheid bij haar studenten, ze probeert voorbeeld en moeder tegelijk voor hen te zijn; zonder dat alles is ze eenzaam.
En eenzaam is ze, omdat dat wat in het leven echt gebeurd is, onbegrijpelijk is. Zo vloeien begin en einde van de roman inéén, als we Lucas van Guusje weg zien zwemmen.

Volgens Sebastiaan Kort in NRC is het ‘geen vuurwerk’ wat Pruis schrijft. Hij stelt ook: ‘Je kan Bouhuys’ klassikale bespiegelingen over poëzie en haar aansporingen aan het adres van die passieve studenten beschouwen als de intellectuele kern van ‘Zachte riten.” Dit is het eerste genomineerde boek waarbij recensies van anderen (ook van Gerwin van der Werff in Trouw, ‘een boek zonder kern waarin de personages mij ontglipten’) mij niet echt op weg helpen.
Ik denk dat ‘Zachte riten’ niets boterzachts heeft, maar juist wel vuurwerk biedt. Pruis presenteert een in mijn ogen scherp beeld van de literaire wereld, waar ze je bewust laat twijfelen over haar personage. Pruis biedt een zeer coherent inkijkje in de werking van de literaire wereld, en als Guusjes uitspraken niet zozeer een ‘intellectuele kern’ bevatten, alswel een commentaar op wat verondersteld wordt intellectueel te zijn, dan kun je deze roman heel goed lezen als een stevige steen in de vijver.

Om dan in het kringetje van poëzie te blijven: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat.’ Maar het kan natuurlijk ook heel goed zijn, dat ik mezelf gelezen heb.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *