Eci literatuurprijs #1 : ‘Jij zegt het’ , Connie Palmen

Ik heb de eer in de lezersjury van de ECI Literatuurprijs te zijn gekozen. Daarvoor lees ik zes boeken en schrijf een korte impressie over dat boek. De eerste in de serie is ‘Jij zegt het’ van Connie Palmen.

‘Jij zegt het’ is het verhaal  dat Connie Palmen Ted Hughes in de mond legt. Ted Hughes is de Britse schrijver die in 1956 trouwde met Sylvia Plath, een Amerikaanse schrijfster. Plath maakte in 1963 een einde aan haar leven door zichzelf te vergassen. Ze had voor haar twee jonge kinderen nog melk en brood klaargezet voor het ontbijt. Deze dramatische loop der gebeurtenissen werd vervolgens de inzet van een fel debat, waarin feministen de rol speelden van genadeloze aanklagers, die Hughes schuldig bevonden aan de ondergang van Plath.

‘Jij zegt het’ opent zo: ‘Voor de meeste mensen bestaan wij alleen in een boek, mijn bruid en ik. De afgelopen vijfendertig jaar heb ik met een machteloos afgrijzen moeten aanzien hoe onze echte levens bedolven raakten onder een modderstroom van apocriefe verhalen, valse getuigenissen, roddels, verzinsels, mythen, hoe onze ware, complexe persoonlijkheden werden vervangen door clichématige personages (…..). En dan was zij de broze heilige, ik de brute verrader. Ik heb gezwegen. Tot nu.
De lezer stapt daarmee vanaf de eerste bladzijde in het verbond van fictie: nu kijken we door de ogen van Hughes, horen we zijn verhaal. Op de volgende bladzijde lezen we over de ontmoeting met Plath: ‘We omhelsden elkaar niet, we vielen elkaar aan. (…) het was wreed, het deed pijn. Het was echt. We maakten elkaar buit.’ Ah ja, dat is ook zo: we lezen Palmen. Het verbond gaat aldus meteen aan flarden door het struikelen over dit typische Palmenthema van de onmatige en allesverslindende liefde.
Palmens boek ‘I.M.’ dringt zich daardoor levendig op in mijn herinnering; dat opent met de scène waarin beide hoofdpersonen in hun broek poepen, alle controle loslaten, zich volledig overgeven aan de liefde. In ‘Jij zegt het’ komt ook dát motief voor, in twee verhalen van Plath’ over een afdaling van een skihelling en een wilde rit op een op hol geslagen paard. Plath vergelijkt haar liefde voor Hughes met het ‘bijna-sterven, een overgave die leek op de overgave van de dood’ zoals ze dat ervaart in deze twee voorvallen. ‘Jij zegt het’  is ook net als ‘I.M.’ een verhaal van een man en een vrouw en hun obsessieve liefde, eindigend met de dood van de geliefde van de verteller.

Palmen geeft de verteller in ‘Jij zegt het’ virtuoos een eigen stijl mee, overeenkomstig de pen van dichter en schrijver Ted Hughes. Meteen in de eerste pagina’s buitelen de metaforen over elkaar heen; Sylvia is ‘een zoetgeurend vat vol venijn’ een ‘godsdienstfanaticus’, een ‘schuwe haas met een ziel van glas’, een ‘razende wraakgodin’ – en dat alleen al op de eerste drie pagina’s. Het is duidelijk; hier is een schrijver aan het woord, en schrijvers zijn makers van constructies van de werkelijkheid in taal.
Het boek ontvouwt zich als één lange vertelling, met alleen witregels om adem te halen; niet alleen Hughes ontkomt niet nadat hij Plath ontmoette, ook de lezer wordt dwingend bij het verhaal bepaald doordat er geen hoofdstukken zijn, en het alsmaar, alsmaar doorgaat. De wisselende stemmingen, de liefde en depressie, de pogingen iemand te zijn; het is moeilijk het boek nog weg te leggen als je eenmaal meegevoerd wordt door de maalstroom van het verhaal over het leven van Hughes en Plath.

En het is Hughes, de man van de mythes en abstracties, die in de vertelling roem en aanzien verwerft, mede dankzij de inzet en adoratie van Plath. Plath worstelt om haar emotionele, veel meer persoonlijke stem in de literatuur gehoord te laten worden. Na haar dood keert het tij; Hughes wordt zwaar aangevallen en verdacht gemaakt door zijn eigen vrienden en door feministische critici.
In ‘Jij zegt het’ is dat wat er gebeurt echter heel begrijpelijk voor de lezer; zowel de liefde, als de ontrouw en de zelfdoding. Plath is in deze roman niet zozeer een begenadigd schrijfster, als wel een psychiatrisch patient. Een door de vroege dood van haar vader getraumatiseerde borderliner, met een grote verlatingsangst, die zeer gevoelig was voor diepdonkere depressies. Je gaat bijna denken dat het schrijverschap waanzin en verdriet moest verhullen en vormgeven, waardoor de omgeving tijdens haar leven niet meer haar ziekte zag, maar slechts haar teksten las en beoordeelde op literaire kwaliteit. In ‘Jij zegt het’ verwijt Hughes het zichzelf ook dat hij een aantal gedichten niet heeft gelezen als de kreet van een mens in nood, maar dan is het al te laat.
Wat er na Plaths’dood gebeurt is curieus. Ik heb halverwege de jaren negentig literatuurwetenschap gestudeerd, en kreeg tijdens het vak ‘feministische literatuurkritiek’ de casus Plath voorgeschoteld; let wel, meer dan dertig jaar na haar sterven. Natuurlijk las ik toen haar werk, en daarin is benauwenis, woede en angst oververtegenwoordigd. Maar dergelijk werk als bewijslast van onderdrukking en schuld presenteren, dat is te werk gaan als een journalist bij een roddelblad.

Rest de vraag wat Connie Palmen nu eigenlijk doet in ‘Jij zegt het’. In de eerste plaats vertelt ze een verhaal. En hoe. Palmen is, en dat bewijst ‘Jij zegt het’ moeiteloos, één van de beste levende schrijfsters uit het Nederlandse taalgebied. Ze is een koningin van de taal, en kan betekenis naar haar hand zetten in één alinea, op een overrompelende manier. Al voor ik twintig pagina’s gelezen heb, ben ik alweer door de knieën. En ze houdt, kalm en beheerst, de hele roman lang, de regie over het verhaal. Wát een macht heeft deze vrouw over het woord. Wel mooi dus, dat er eens een verweer komt tegen de manier waarop Hughes door het slijk is gehaald.
Maar dat is niet het hele verhaal. Palmen eigent zich een mens, Ted Hughes, toe als haar stem. Ze neemt bezit van iemand die echt heeft geleefd, en maakt hem een personage. Het spel met constructie en werkelijkheid is bij Palmen een perpetuüm mobile. Nogmaals kijkend naar de eerste alinea: ze wekt, vakkundig als ze is, de indruk dat dit het échte verhaal is van Hughes, maar dat is het immers niet. Hughes komt tot leven, maar het is wel degelijk nog steeds een constructie in een boek, het boek van Connie Palmen.
‘I.M.’ was een zeer persoonlijk verslag van de liefde tussen Palmen en Ischa Meijer, maar wel vanuit het perspectief van Palmen. Na lezing was ik onthutst over de mate van toe-eigening; als je ‘I.M.’ leest stap je in een dermate hermetische wereld dat je er bijna in gaat geloven dat dát de volledige en enige werkelijkheid was; zo was het, zo was de liefde tussen Palmen en Meijer, zo was Meijer, zo was hij gelukkig. Maar net als ‘Jij zegt het’ is ‘I.M.’ een constructie.

Constructies zijn dodelijk; een eeuwenoud literair thema. Hoe meer iets vastligt, hoe minder leven. Zoals Plath’ vrij consequent (tot aan het moment van het overspel van Hughes) door de verteller ‘mijn bruid’ wordt genoemd, zoals ze verdwijnt in een wirwar aan metaforen: dat alles is al een vroege aankondiging van de dood. Hoe kun je leven als een ander zich je toeëigent? In die zin zou je kunnen zeggen dat ‘Jij zegt het’ juist een bevéstiging is van het decennialang doordenderende verwijt aan het adres van Hughes, dat hij het was die haar doodde.  Een bevestiging, en geen verweer. We zien het hem immers doen, haar mythologiseren, overheersen en inkaderen? Terwijl Hughes zegt, dat zij juist hem op metafysische wijze doodde, door haar leven te beëindigen.

Het bijzondere is, dat je dat als lezer uiteindelijk geneigd bent je hoofd te schudden over beide perspectieven. Veel meer krijg je medelijden met Hughes en Plath.  En raakt de dood van Plath, ook al zie je die al vanaf de eerste pagina aankomen, je als lezer ongekend diep. Natuurlijk was het niet Hughes’ schuld, denk je dan, die arme man, wat een drama, wat een hulpeloosheid, en moest dat nou zo… Al dat bezit nemen van elkaar, elkaar bewieroken en verguizen, elkaar de schuld geven; niet zo gezond, zo bekeken. Best knap dat Palmen dat soort gedachten teweeg weet te brengen, gedachten over de noodlottigheid van het leven zelf, via literaire constructie.

Ergens blijft iets jeuken. Wat wil Palmen eigenlijk? Ik schreef het al; als je Palmen leest, ga je door de knieën. Palmen heeft de macht zich, via haar taal, niet alleen haar personages maar ook de lezer toe te eigenen, en de lezer mee te nemen in haar hermetische perspectief op de werkelijkheid. En ik vraag me af…is dat niet net zo eng, als wat Plath en Hughes onderling deden? Is dat niet briljant en waanzinnig tegelijk? En mág je je eigenlijk een mens toe-eigenen, om van hem een personage te maken? Doe je daarmee niet exact hetzelfde als de mythemakende feministen? En mag je je de lezer toeëigenen, of doe je die daarmee tekort? Wat mag de lezer zelf nog denken, voelen en ervaren? Is het eigenlijk de bedoeling om het gevoel te hebben dat je door de schrijfster plat bent geslagen als een onbeduidend insect, na lezing van dit boek?
‘Jij zegt het’ roept alszodanig heel veel vragen in mij op. Vragen die niet makkelijk te beantwoorden zijn. Daarom eindig ik met een persoonlijke opmerking: ik bewonder Palmen zeer, maar word tegelijkertijd achterdochtig en misschien zelfs wel een beetje boos van haar vermogen te manipuleren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *