‘Verhalen zijn woeste wezens’; over verhaalmoeheid en verhaalwaarheid

Niña Weijers schreef onlangs in de Groene over literatuur als een plek ‘om te ontsnappen aan een verhaal’. Dat is intrigerend, want biedt literatuur niet juist verhaal? Waarom construeren we eigenlijk verhalen, en wat kan een verhaal doen? Waarom kunnen we er moe van worden, maar kan een verhaal ons ook de waarheid in het gezicht slaan? 

Verhaalmoeheid
Niña Weijers schreef onlangs in de Groene : ‘Ook bij mezelf constateer ik steeds vaker een zekere verhaalmoeheid (…).  Het is een weerstand die, althans bij mezelf, samenhangt met het steeds wijder verbreide idee dat verhalen de sleutel zijn tot alle waarheden van ons leven.
Literatuur weerstreeft dat, schrijft ze: ‘Literatuur, zo daagt mij steeds meer, is een plek geworden waar ik naartoe ga om te ontsnappen aan het verhaal. Een goed boek is altijd een boek dat zich op enige manier verzet tegen zijn eigen narratieve structuur, niet zomaar aanneemt dat een verhaal altijd de noodzakelijke weg is, en zeker niet altijd een ‘goedaardige innerlijke kracht’.

Waarheden in ons leven
Het leven in verhalen vatten is een diepgeworteld  menselijk mechanisme, van zoeken naar oorzaak en gevolg. We zoeken voortdurend naar verbanden, verklaringen en verhalen. Van waarom we verkouden zijn geworden (‘ik zat op de tocht’), tot waarom ons ingrijpende gebeurtenissen overkomen.
En verhalen kunnen verhelderen, maar ze kunnen evengoed verbloemen. Is het waar als een kennis me vertelt dat ze zoveel beter is geworden van haar scheiding, en dat crisis altijd inzicht brengt? Of is dit het verhaal dat haar het beste overeind houdt? Zijn niet veel verhalen gemaakt om datgene wat schuurt, wat pijn doet, te verzachten? De relatie tussen verhaal en ‘waarheid’, en tussen verhaal en de (gewenste) werking van het verhaal, is nogal ingewikkeld.
De verhaalmoeheid die Weijers beschrijft, vind ik herkenbaar. In de wetenschapsjournalistiek is er een categorie ‘populair-wetenschappelijk’, zo zou er ook best een genre ‘populair-literair’ mogen bestaan: boeken die geschreven lijken om de lezer bepaalde inzichten bij te brengen over Het Leven. Denk aan een titel als ‘Eten, bidden, beminnen’ van Elizabeth Gilbert. Maar ook al bestaan dergelijke verhalen die pretenderen ‘de waarheid in pacht te hebben’; daar hoef je nog niet moe van te worden. Je kunt ze immers gewoon links laten liggen.

Verhalen als landmijnen
Weijers heeft het  ook niet over gaapliteratuur als van Gilbert, maar over de neiging het verhaal in te zetten om iets (wat dan ook: van wijn tot cultuurprojecten) aan de man te brengen, als maatschappelijke tendens. Een andere tendens is dat aan feiten minder waarde wordt gehecht, in bepaalde vormen van discours. Politici als Boris Johnson en Donald Trump hebben een cultuur in gang gezet waarbij feiten in het verdomhoekje worden gezet, als pogingen van een elite om macht uit te oefenen. Het doet er  dan niet meer toe doet of iets echt zo is of niet, ‘ik voel het gewoon zo’  of ‘ik vind dat nou eenmaal’ is een argument is om vast te houden aan een verhaal of een opvatting.
Het gevolg daarvan is de vorming van een wereld waarin verhalen wapens worden om anderen buiten te sluiten. Omdat feiten niet relevant zijn, zijn verhalen willekeurig van karakter. De werkelijkheid door de bril van zulke verhalen heeft geen fundament meer, is niet meer consistent, en wordt in toenemende mate onbetrouwbaar. De wereld van iemand als Donald Trump is voor iedereen die zich ertoe wil verhouden een mijnenveld; elk verhaal als een landmijn waardoor je onverhoeds ten val gebracht kan worden. Vermoeidheid is, om het zo maar te zeggen, the least of our problems. Misschien is het eerder een eerste signaal van maatschappelijke depressie; de Verlichting uitgedoofd.

Kakofonie van verhalen
Verhalen leiden wellicht ook tot vermoeidheid doordat we overprikkeld raken. Overal zijn verhalen. Elke denkbare gebeurtenis leidt tot meningen, verhalen, varianten daarop, discussie; een wereld vol verhaalspiralen.
Onlangs las ik op nos.nl een reportage over de aandoening ‘misofonie’ (haat voor geluid); ik kon me niet onttrekken aan de gedachte dat het diagnosticeren van een dergelijke aandoening een uitwas van de verregaande individualisering van onze maatschappij is. Het is vast naar en vervelend, om iemand te willen vermoorden die smakt, maar het inkaderen ervan (het maken van een verhaal van een ervaren emotie), is dat werkelijk zinvol?
Het is moeilijk te zeggen of de remedie erger is dan de kwaal, of dat hier sprake is van daadwerkelijke emancipatie.  Het is net als dat we vroeger kinderen in de klas hadden die ‘druk’ waren, en nu  hebben we kinderen met ‘rugzakjes’; en daar zitten dan hun labeltjes in. Een diagnose kan helpen, kan een begripskader vormen, gedrag van de omgeving effectiever sturen. Natuurlijk weet ik dat, en doe ik zelf ook mee in dat circus. Maar net als álle kaders, kan het ook knellen. Je bent niet je verhaal.

Lees Vasalis
Waar elk individu gehoord en gezien wil worden, raken we misschien wel doodop van elkaar, van het lawaai aan verhalen – en, in al dat lawaai wordt het alleen maar moeilijker elkaar te horen en te zien. Het zoeken naar gemeenschappelijke noemers, het vormen van een verhaal over wie we samen zijn, hoe we ‘samenleving’ moeten zijn; dat lijkt steeds lastiger.
Voor iedereen die moe wordt van deze kakofonie van meningen en verhalen: lees ‘M. Vasalis. Een biografie’ van Maaike Meijer. En verlustig je aan de taalrijke briefwisselingen, waar een zo totaal ander maatschappelijk tempo dan het onze uit spreekt. De aandacht waarmee zaken geformuleerd worden; de zorgvuldigheid, gelaagdheid en intensiteit die dat aanbrengt in de contacten die de schrijfster onderhoudt…waarom zou je je ook in Godsnaam beperken tot 140 tekens.

Een verhaal dat de waarheid bevat
Verhalen met de sleutel tot waarheden; het lijkt te passen bij het boek dat ik deze week las, ‘Zeven minuten na middernacht’ van Patrick Ness. Het boek gaat over een opgroeiende jongen, Conor, wiens moeder een ernstige ziekte heeft. In de tuin van de jongen staat een grote taxusboom. In een opéénvolging van nachten komt deze boom om exact zeven minuten na middernacht tot leven, in de vorm van een groot monster, om de jongen verhalen te vertellen. Na drie verhalen moet  Conor zijn eigen verhaal vertellen. Het monster leert Conor het volgende: ‘Er bestaan geen woestere wezens dan verhalen (…), verhalen jagen en bijten en achtervolgen.’
De drie verhalen die het taxusmonster vertelt zijn ambigu. Via deze verhalen leert Conor onderscheid te maken tussen bepaalde zienswijzen, of ‘gedachten’,  en ‘de waarheid’, want, zo zegt het taxusboommonster: ‘Verhalen zijn (…) belangrijk. Soms zijn ze belangrijker dan wat ook. Als ze de waarheid bevatten.’
En wat is dat dan, ‘de waarheid’? Het zijn in elk niet de vrijblijvende verkoopconstructies waar Weijers naar lijkt te verwijzen. In Conors geval betekent het het erkennen van zijn angst om zijn moeder te verliezen, terwijl hij tegelijkertijd onder ogen moet zien dat haar ziekzijn ondragelijk is, en dat hij die loodzware periode wil afsluiten.

‘Zeven minuten na middernacht’ is helemaal geen ingewikkeld boek, en je voelt al snel aankomen waar het heengaat. In die zin kun je het kwalificeren als ‘zomaar een verhaal’. Toch is het meer dan een verhaaltje, het is een overtuigend, goed geschreven boek. Omdat het licht werpt op datgene wat zich uiteindelijk altijd het meest krachtig tegen elke verhalende vorm verzet: het leven zelf. Het leven, dat zich aan kan dienen als absurd, onverwacht en ambigu. Dat zich ontworstelt aan kaders en constructies, krachtiger dan welk goed boek dan ook, dat kan. De vraag is eigenlijk of het leven alszodanig wel ‘waarheden’ aan ons presenteert. Misschien worden we dus vooral moe van díe verhalen,  die de essentiële onbevattelijkheid, de levendigheid van het leven, uit willen wissen.

‘De waarheid’, zoals in ‘Zeven minuten’, raakt aan juist aan die onbevattelijkheid. Het verwoordt wat we niet begrijpen, klopt en klopt ook niet. Daardoor krijgt het verhaal  voor mij als lezer relevantie. Zoals de beste boeken je iets vertellen dat nergens echt staat, maar dat in het verhaal verborgen is, bijna als iets dat leeft.
De waarheid die Franny Glass uit ‘Franny en Zooey’ van J.D. Salinger ons vertelt, de waarheid waar Harold Silver uit ‘Vergeef ons’ van A.M. Homes ons mee confronteert.  Later kan je je de plotlijnen misschien niet meer herinneren, maar wel wat die boeken voor je betekenen. Verhalen bieden daarvoor een faciliterende structuur, en geen ‘goedaardige innerlijke kracht’. Dat wat ik ‘leven’ en ‘betekenis’ noem, is immers altijd ‘in the eye of the beholder’. Het is de lezer, die het verhaal maakt.

Wie moe is van verhalen kan het  inderdaad zoeken in de literatuur, maar het hoeft in literatuur niet persé te gaan om het verzet tegen de narratieve structuur van het verhaal zelf.  Een goed boek kan kennelijk heel verhalend zijn (zoals ‘Zeven minuten’), maar zich toch ook verzetten tegen de dictatuur van de als narratief gepresenteerde werkelijkheid. Jeanette Winterson verwoordt het prachtig in haar biografische boek ‘Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn?’: ‘Dat is wat literatuur biedt-  een taal die krachtig genoeg is om te zeggen waar het op staat. Het is geen schuilplaats. Het is een vindplaats.’

Patrick Ness en Siobhan Dowd ‘Zeven minuten na middernacht’, Colibri bibliotheek, 2013
Maaike Meijer, ‘M. Vasalis. Een biografie’ Uitgeverij van Oorschot, 2012
Jeannette Winterson ‘Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn?’ Atlas Contact, 2016

2 gedachten over “‘Verhalen zijn woeste wezens’; over verhaalmoeheid en verhaalwaarheid”

  1. Natuurlijk is er een overdaad aan slechte verhalen. Maar die kun je toch ook makkelijk vermijden door je te beperken tot de klassieke verhalen (die niet voor niets klassiek zijn). Ligt het niet vooral aan de lezer, aan de manier waarop hij een verhaal te lijf gaat?
    Ik las het volgende citaat van Nietszche over het lezen in een Biografietje van Paul van Tongeren. Let wel het gaat om de jachtige lezer van 150 jaar geleden:

    “Voor de rustige lezer is het boek bestemd, voor mensen die nog niet in duizelingwekkende haast van ons voortrazende tijdperk meegesleurd zijn, die zich nog niet met idolaat plezier tussen de raderen daarvan hebben gestort, voor mensen dus, die zich nog niet tot gewoonte gemaakt hebben om de waarde van alle af te meten aan de tijd die het kost of juist oplevert. Dat wil zeggen – voor erg weinig mensen. Die echter ‘hebben nog tijd’, die zijn nog in staat om de vruchtbaarste en krachtigste momenten van de dag te gebruiken om over de toekomst van onze beschaving na te denken, die mogen zelfs de overtuiging koesteren dat ze op een echt nuttige en waardige wijze de avond halen, door zich namelijk te wijden aan de meditatio generis futuri (de bezinning op het geslacht van de toekomst). Een dergelijke mens heeft nog niet afgeleerd om na te denken terwijl hij leest, hij verstaat nog het geheim van het tussen de regels lezen, ja hij is zo ruimhartig dat hij zelfs nog nadenkt over wat hij gelezen heeft – misschien zelfs lang nadat hij het boek uit handen heeft gelegd. En dan niet om een recensie of zelf weer een boek te schrijven, doch zo maar, om na te denken! Lichtzinnige spilzieke geest! Jij bent mijn lezer, want je zult genoeg rust hebben om met de auteur een lange weg op te gaan, waarvan ook hij het einde niet kan zien.”

    1. Wat een fantastisch citaat Frank, zeer bedankt! ‘op nuttige en waardige wijze de avond halen’; geweldig gewoon. Als ik af en toe ’s avonds op de bank plof en te moe ben om nog een boek ter hand te nemen is dat dus niet gelukt, kennelijk is jachtigheid van alle tijden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *