De moedige maskerades van Siri Hustvedt

Een ‘longread’ deze week, over de complexe wereld van de Amerikaanse schrijver Siri Hustvedt.  ‘Wie wat vindt heeft slecht gezocht’, aldus één van onze meest geliefde dichters, Rutger Kopland. Misschien is het een aardige regel om te overpeinzen in verband met dit literaire werk. Wat je bij Hustvedt vooral lijkt te vinden zijn zaken, die weer naar iets anders verwijzen. Meerstemmigheid en meerduidigheid  bepalen ook nadrukkelijk de aard van ‘De Vlammende Wereld’, Hustvedts laatste roman. Daarin zijn de diverse sprekers dan weer larmoyant, dan weer erudiet, platvloers en uit op effect, gemeen, liefdevol, simpel, onverdraaglijk, en ontroerend. Met ‘De Vlammende Wereld’ doet Siri Hustvedt een ongelofelijk dappere poging om essentiële vragen aan de orde te stellen over zijn en zien. 

Kolossale discriminatie
Eerst over ‘De Vlammende Wereld’. Deze roman gaat over meerstemmigheid en meerduidigheid- en de tekst weet dit op wonderlijke wijze ook te veroorzaken bij lezers. Hoe kan het dat het boek  door drie recensenten, Trouw, NRC en Volkskrant, zó verschillend gelezen wordt? Dat is al bijna even boeiend al de roman zelf, dus daarom een klein uitstapje naar de receptie ervan.
‘De Vlammende Wereld’ (in de prachtige Nederlandse vertaling van Auke Leistra) gaat, op verhaalniveau, over Harriet Burden. Zij is een kunstenares die na de dood van haar man besluit haar werk te exposeren via drie mannelijke kunstenaars, ofwel ‘aliassen’, om aan te tonen dat het werk anders wordt bekeken als de veronderstelde maker een man is.
Het boek wordt door Sofie Messeman (Trouw, 28 juni 2014) humorloos en programmatisch genoemd. Messeman opent met de ondertitel ‘In haar slimme nieuwe roman suggereert de Amerikaanse Siri Hustvedt dat vrouwelijke kunstenaars kolossaal gediscrimineerd worden’. In de aankondiging van haar artikel heet het zelfs: ‘Siri Hustvedt twijfelt er niet aan: vrouwelijke kunstenaars worden gediscrimineerd’. Ook noemt Messeman de uitingen van de hoofdpersoon Harriet Burden, ofwel Harry, clichématig, ‘wat contrasteert met de kunstenares als zelfverklaard genie’.
Sandra Heerma van Voss (in NRC van 13 juni) en Persis Bekkering (28 juni, de Volkskrant) komen tot andere kwalificaties. Bekkering vindt de protagonist, Harriet Burden, juist wél humoristisch en roemt de meerstemmigheid en ambiguïteit van dit ‘flamboyante boek’. Heerma van Voss noemt het boek een pageturner, Harriet is ‘betweterig, hautain en egomaan’, maar ook ‘briljant’. Zij werpt aan het slot van haar recensie bovendien een interessante vraag op, namelijk of het Harry nu echt om ‘erkenning’ gaat, of ‘om liefde van een veel intiemer soort, die de belangrijkste mannen uit haar leven haar hebben onthouden?
Overigens: alle drie recensies van vrouwen. Natuurlijk is het boek ook door de andere sekse besproken, zie bijvoorbeeld de prachtige recensie van Justin Waerts op Tzum, waarin hij aangeeft dat hij deze roman tot het beste vindt behoren dat in 2014 is verschenen: ‘Zo nu en dan verschijnt een verhaal dat aan alle kanten sprankelt en knettert, ontroert en inspireert. De Vlammende Wereld, de zesde roman van de Amerikaanse schrijfster Siri Hustvedt, is zo’n verhaal.’

Pik en ballen
Terug naar het boek: waar gaat het nu eigenlijk over? Het gaat over een serie van ‘maskings’; maskerades. Maskerdes waarin de vrouwelijke kunstenaar zich verschuilt achter een mannelijk subject om te exposeren. Maar beweren dat Siri Hustvedt, de auteur van de roman, er niet aan twijfelt dat vrouwelijke kunstenaars worden gediscrimineerd, is een simplificatie. Juist het feit dat de opvattingen van Harriet Burden, de hoofdpersoon, in een bloemlezing van zeer diverse andere stemmen wordt ingebed, doet vermoeden dat de roman niet een dergelijke eenvoudige boodschap heeft als ‘vrouwelijke kunstenaars worden gediscrimineerd door mannen’.
Hustvedt draait de lezer overigens wel op zeer effectieve wijze een rad voor ogen, dat moet gezegd. Veel van de recensies, niet alleen in Nederland maar internationaal en ook in interviews, openen met de quote van Harriet Burden: ‘Alle intellectuele en artistieke ondernemingen, zelfs parodieën en andere grappig dan wel ironisch bedoelde uitingen, doen het beter bij het publiek als het weet dat ergens achter dat grote werk of achter die grote volksverlakkerij een pik en een paar ballen gesitueerd kunnen worden.’
Rather vulgar’, noemt Hustvedt zelf deze uitspraak van haar personage in de ‘Avenue Bookstore Podcast’( 10 maart 2014) die op Youtube te beluisteren is. Het feit dat het citaat in de roman is ingebed in de inleiding van de bezorger van de geschriften van Burden,  I.V. Hess, die in ultiem contrast met deze vulgariteit juist een zeer koele en academische toon bezigt, in combinatie met de onversneden platheid van de uitspraak op zichzelf zou toch op z’n minst moeten leiden tot het optrekken van een wenkbrauw bij de lezer.
Maar nee, deze eerste ‘maskerade’ is te sappig en voor de hand liggend om níet te gebruiken als exemplarisch voorbeeld van de denkwijze van Harriet Burden, en de intenties van de auteur worden gemakshalve maar verondersteld daarmee samen te vallen. De interpretatie van de roman als feministisch-programmatisch berust precies op dít misverstand: dat Hustvedt als persoon en schrijver net zo tegen misogyne molens vecht als haar bloedfanatieke personage.
En dat terwijl de (sekseloze) bezorger ons nog zo waarschuwt: ‘Het beste is wellicht de lezer van het navolgende zelf te laten beslissen wat Harriet Burden precies bedoeld of niet bedoeld heeft en of haar verhaal en zijzelf wel of niet te vertrouwen zijn.’ Bovendien: Harriet Burden haar nalatenschap bestaat uit notitieboeken, die voorzien zijn van letters. Het notitieboek ‘I’ ontbreekt, en Hess merkt daarover op: ‘De letter I is in het Engels eerste persoon enkelvoud, en ik begin me af te vragen hoe Burden weerstand kan hebben geboden aan de verleiding om een notitieboek onder die letter bij te houden.’ Let wel; inmiddels weet Hess al dat Burden onder verschillende pseudoniemen artikelen heeft gepubliceerd. Ook maakt Hess, geheel aan het einde van de inleidende woorden, het voorbehoud dat de tekst misschien nog een aanpassing nodig heeft indien ‘I’ naderhand nog opduikt.
Met andere woorden: nog voordat er twintig bladzijden gelezen zijn, is het eenvoudige feministische citaat van Harriet Burden ingebed in de vraag, wat ‘ik’ eigenlijk is. Wat is alszodanig subjectieve identiteit? De protagonist, Burden, verhoudt zich kennelijk niet bepaald ongecompliceerd tot haar eigen identiteit. Zij verstopt haar ‘ik’ achter mannelijke aliassen, en sterker nog, ‘I’ is verdwenen.

Constructie en fictie
Na de inleiding door de bezorgder, volgt een eerste fragment uit de notitieboeken van Harriet, uit ‘C’. Dat zou kunnen verwijzen naar ‘cerebraal’, een kwalificatie van haar werk als kunstenaar door een kunsthandelaar, of naar ‘cat’, van ‘Felix the Cat’, een per ongeluk door Harriet ontdekte koosnaam die aan haar echtgenoot wordt gegeven door minnaars. Harriet noemt zichzelf  ook, opnieuw met een C, de ‘cause célèbre’ van haar ouders , maar ook hun ‘burden’; hun last. De letter C is drager van drie verschillende betekenissen, en met dat soort ambigue spelletjes  is deze roman dooraderd.
Ook wordt de lezer meteen in verwarring gebracht door de noten van de bezorger, Hess. Het zijn er in het eerste fragment nog maar twee, maar er wordt verwezen naar fictieve bronnen. Fictieve verwijzingen vind je in het hele boek. Het is nog een klus om uit te zoeken wat wel klopt, en wat niet. Ook hier bestaat het ‘ik’ van de opgevoerde autoriteiten dus niet – en vaak zijn dat in dit boek auteurs. Kunnen auteurs fictieve constructies, maskers, zijn? Ligt er achter maskers niets dan leegte, is autoriteit niet te vertrouwen, hebben we te maken met ‘de nieuwe kleren van de keizer?’ Of wordt de fictionaliteit van de tekst via deze noten onderstreept?
Soms  worden ook werkelijk bestaande en gecanoniseerde auteurs opgevoerd; in andere delen van notitieboeken wordt bijvoorbeeld verwezen naar concrete teksten van filosofen als Kierkegaard, Husserl, Stein, en schrijvers als Milton en Dickinson. Ook zijn er vrouwelijke schrijvers en denkers bij in de noten, die wél hebben geleefd, maar die niet erg bekend klinken. Verdwijnen vrouwen sneller in de mist van de geschiedenis? Wordt een mannelijke denker of schrijver sneller tot een concept of constructie als onderdeel van een canon?
Voor het vrouwelijke personage Harriet is het in elk geval een voortdurende worsteling om te komen tot een reconstructie van het ik. Zij is bijvoorbeeld jarenlang in therapie, een vorm van verhalende constructie om grip te krijgen op het leven. Haar vriendin en psychotherapeut Rachel Briefman komt aan het woord, haar (mannelijke) therapeut is onderdeel van het verhaal. En Burden voert ook Freud op, die als geen ander fictionele en mythologische concepten in de beleving van subjectiviteit bracht. Misschien is Melanie Klein, de grondlegger van de objectrelatietheorie, in dit verband nog wel van groter belang voor Harriet Burden. Volgens deze theorie ontwikkelt de mens zich vooral in relatie tot anderen, is identiteit dus iets dat steeds in beweging is. Ondergeschiktheid aan anderen in de vorming van identiteit past bij het personage Harriet, in het tentoonstellen van kunstwerken via mannelijke maskers.
Dus wat wil Hustvedt ons nu eigenlijk zeggen? Gaat het over een pik en ballen achter een kunstwerk?  Of gaat het over de maatschappelijke constructie, het masker, van de concepten mannelijkheid en vrouwelijkheid? Gaat het over de vraag wat kunst of constructie van identiteiten, van personages, is, en hoe identiteit zich verhoudt tot de productie van kunst? Gaat het over hoe manipulatie (van bijvoorbeeld ‘het mannelijke’ en ‘het vrouwelijke’ maar ook zaken zoals klein en groot, tekst en beeld, emotie en ratio) zich verhoudt tot vakmanschap in de productie van kunst? Of over hoe de kunstenaar probeert de kijker (of lezer) voortdurend op het verkeerde been te zetten, en de kijker het ene masker na het andere voorspiegelt?

Het gaat in kunst niet om objectiviteit
In de zogenaamd verklarende brief van Richard Brickman (waarvan I.V. Hess ons heeft verteld dat het een pseudoniem is van Burden) zegt hij dat elk masker, dus elke presentatie van werk van Burden onder naam van een mannelijke kunstenaar, ‘een visuele uitwerking van een hermafrodiet zelf’ is, ‘een vermengde entiteit vertegenwoordigt die ze samen gecreëerd hebben. Deze verklaring is uiteraard volkomen subjectief, maargoed, het gaat in de beeldende kunst ook niet om objectiviteit.’
De tentoonstellingen van Burden worden een ‘verhalende performance’ genoemd, werk met een ‘sterke theatrale en narratieve component’. Hetzelfde zou gezegd kunnen worden van deze roman.
Hustvedt voert een zeer emotioneel vrouwelijk personage ten tonele, dat wil aantonen dat het mannelijke primaat al het vrouwelijke overschaduwt, en die verblind door haar bewijsdrang de  zogenaamde mannelijke superioriteit juist  bevéstigt. Zij is immers niet alleen vrouw, maar ook kunstenaar: zij maakt dingen. Dus misschien zegt ze te lijden onder dat veronderstelde mannelijke primaat, maar door haar actieve keuze haar werk onder mannelijke aliassen tentoon te stellen, bouwt ze zelf mee aan diezelfde constructie van het mannelijke primaat.
Fascinerend is het vervolgens als Harriet in een rollenspel met haar derde ‘masker’, de kunstenaar Rune, zij zélf de rol aanneemt van een man die de vrouw wil overheersen, en uiteindelijk wil mishandelen. Ligt in het dermate briljant en ambigu opvoeren van tragische strijd tussen dogmatische concepten van mannelijkheid en vrouwelijkheid niet juist zeggingskracht, waarbij het gaat om een boodschap met een veel voorzichtigere en genuanceerdere lading dan een platfeministische?

Hustvedts obsessies: identiteit en animisme
Een door de vele vragen uitgedaagde lezer wordt als vanzelf naar het andere werk van Hustvedt gezogen. En wat een rijkdom is er dan te ontdekken. In veel werk van Hustvedt tekent zich eenzelfde thematiek af. In Hustvedts proza vinden we het motief van dubbelzinnige identiteit meermaals terug, zoals in ‘The Blindfold’ waarin hoofdpersoon Iris ( inderdaad, een anagram van Siri) een fictieve achternaam gebruikt als ze iemand niet vertrouwt. Het gaat bij Hustvedt vaak over onbetrouwbaarheid: het onbetrouwbare of onzekere ‘ik’, maar ook komen er in haar boeken veel onbetrouwbare anderen voor- en ja, overigens veel onbetrouwbare mannen.
Een ander opvallend terugkerend motief in Hustvedts werk is animisme. Bezielde voorwerpen komen voor in ‘The Blindfold’ wanneer Iris zaken als een wattenbolletje of een handschoen van een overleden meisje in opdracht van haar aanbidder – haar moordenaar?-  tot in detail moet beschrijven. Via deze beschrijvingen van alledaagse voorwerpen hoopt haar aanbidder weer contact met haar te ervaren. Met behulp van taal wordt het object als het ware leven ingeblazen.
Ook  in ‘De Vlammende Wereld’ is animisme een thema. Harriet Burden maakt ‘poppetjeskunst’; allerlei grote en kleine poppen, waarvan ze sommige zelfs probeert elektrisch te verwarmen. Niet toevallig is die pop een verbeelding van haar overleden echtgenoot. Poppen worden in  Hustvedts ‘The shaking woman or a history of my nerves’ (in het Nederlands: ‘Een geschiedenis van mijn zenuwen’) overigens verklaard als objecten die binnen de context van therapie een stoornis of ziekte geleidelijk aan kunnen overnemen, waarna de patiënt er naderhand afstand van kan doen. Deze poppen worden dragers van ziekte of stoornis, of van het idee van ziekte, het concept. Iets dat niet leeft – een wattenbolletje, een kunstwerk, een masker, een pop-  kan worden ‘overgenomen’ door een idee, kennelijk, in het werk van Hustvedt.
Een dergelijk sterk staaltje animisme in ‘De Vlammende Wereld’ zien we via de stem van Sweet Autumn Pinkney. Zij komt in het laatste fragment van de anthologie aan het woord komt over de ziekte en het sterven van Harriet. Via de zeer naïeve stem van Sweet Autumn, die rept van tekens die ze doorkrijgt, aura’s die ze moet zuiveren en hoger bewustzijn, zien we de doodzieke Harriet (of ‘Harry’ voor intimi) aan het einde samenvallen met haar lichaam. Harry gaat dood.
Maar waar blijft dan ‘de idee Harry’, haar ‘vlammende’ intenties, datgene waarmee ze zo sterk gedreven haar kunst maakte? Als Sweet Autumn met de kinderen van Harriet in haar atelier gaat kijken na Harriets overlijden, valt haar oog op een specifiek kunstwerk. Ze ontdekt een klein gemodelleerd persoontje in een grotere mensachtige constructie. En Sweet Autumn zegt: ‘Toen ik op mijn knieën naar dat figuurtje zat te kijken, dat Harry moest voorstellen, begon het te gloeien. Ik zweer het. Het verspreidde een paarse gloed. Ik zag de energie die het uitstraalde. Het had een elektromagnetisch veld – dat poppetje. Ik werd er heel stil van.’ Juist vanwege de onnozele toon van het meisje, die doet vermoeden dat zij met ironisch plezier ten tonele is gevoerd om deze intrigerende en soms (met name in de stem van Harry) hoogdravend-intellectuele roman af te sluiten, wordt je als lezer onverhoeds volkomen overvallen door ontroering. Ontroering die zich van je meester maakt in deze slotscènes – oh, wat heeft Hustvedt me tot het einde toe op het verkeerde been gezet en wat weet ze me ondanks dat toch iets essentieels te vertellen. Iets, dat zich zodra je het onder woorden wilt brengen, aan je waarneming onttrekt.

Sleuteltekst: ‘De geschiedenis van mijn zenuwen’
Hustvedt heeft met het eerdergenoemde ‘The shaking woman or a history of my nerves’ (In Nederland gepubliceerd als ‘Een geschiedenis van mijn zenuwen’) misschien wel een sleuteltekst gepubliceerd, waarin we veel van haar denken terugvinden. De (alszodanig gepresenteerde) autobiografische tekst gaat over het zieke en het gezonde, de afwijking en het normale, de verhouding tussen brein, lichaam en geest, en tussen identiteit en idee. Ze beschrijft hoe een deel van haar lichaam bij lezingen begint te schudden, en in de hele verhandeling vraagt ze zich af hoe het kan dat ze schudt, waar het schudden zich in haar hersenen bevindt, wat het schudden te maken heeft met wie zij zelf is, en hoe het kan dat er een scheiding is tussen haar schuddende lichaam en haar spraak- want terwijl ze schudt, geeft ze lezingen.
In dit boekje wordt identiteit geen spagaat tussen het mannelijke en het vrouwelijke, maar tussen ervaren en begrijpen, bewust en onbewust, fysiek en mentaal, linker- en hersenhelft. Alle mogelijkheden om het schudden te verklaren worden in duizelingwekkend tempo afgegraasd, via allerlei sporen in de wetenschap, psychologie en filosofie-  met aan het slot een zeer persoonlijke apologie van de auteur, alszodanig een prachtige verdediging van meerduidigheid: ‘Meerduidigheid is niet het ene en niet het andere. Het past niet in het vakje, het nette doosje, het raamwerk, de encyclopedie.  (…) Meerduidigheid is in de kern tegenstrijdig en onoplosbaar, een verbijsterende waarheid van mist, nevel  en de onherkenbare figuur of schim of herinnering of droom, die ik niet kan bevatten of vasthouden omdat hij altijd wegvliegt en ik weet niet wat het is, of het eigenlijk wel iets is. Ik jaag het met woorden na, ook al laat het zich niet vangen, en af en toe verbeeld ik me dat ik het heel dicht genaderd ben.’

Zien en zijn
Wie wat vindt heeft slecht gezocht- het is jammer om Hustvedts ‘De Vlammende Wereld’ weg te zetten als een pretentieus boek met een feministische kras in de plaat. Het gaat in dit boek niet om het vinden, maar om het zoeken. En in het zoeken, in de beweging en de dialoog tussen stemmen in dit boek, ligt de kracht van de roman. Je zou het boek zelfs kunnen lezen als een klassieke vertelling in de sfeer van Romeo en Julia, het eeuwige zoeken jezelf en naar elkaar. En zoals in al deze vertellingen – ‘er waren twee koningskinderen, zij hadden elkander zo lief’-  kan het alleen maar tragisch aflopen, is het zoeken van het mannelijke en het vrouwelijke naar elkaar gedoemd te mislukken, is het verlangen slechts bestemd om in vlammen op te gaan. De dans die Harriet uitvoert met haar mannelijke aliassen is een rituele, een alsmaar meer grensoverschrijdende en gewelddadige dans, waarvan je al ver van tevoren ziet aankomen hoe het af zal lopen. Wie in de uiteindelijke ondergang dader is en wie slachtoffer, dat is nog maar de vraag.
In alles is dit boek meerduidig, meerstemmig, en het wordt duidelijk ook op verschillende manieren gelezen en geïnterpreteerd. En net zo vaak als Harriet Burden niet begrepen wordt, wordt Siri Hustvedt niet begrepen. Net zoals het werk van Burden, varend onder mannelijke vlag, wordt afgevlakt tot een bepaald herkenbaar concept, zo wordt het werk van Hustvedt  soms misverstaan als programmatisch feministisch, vooral betweterig. Terwijl het ook sterke plots heeft, vaak spannend en intrigerend is, het kortom waard is om het te lezen, en dan opnieuw te lezen. Om nog eens, wat langer, te kijken. Totdat je iets heel even heel dicht nadert, en er iets is dat voor je ogen, of in je geest, opgloeit.
Is dat ridicuul of magisch? Het zaaien van twijfel daarover, dát is juist wat literatuur moet doen. Zowel de wereld als de kunst is immers volop maskerade en meerduidigheid. Met ‘De Vlammende Wereld’ doet Siri Hustvedt een ongelofelijk dappere poging om essentiële vragen aan de orde te stellen over zijn en zien. Moedig zijn en vragen stellen – we moeten ons gelukkig prijzen met schrijvers die dat kunnen én doen, in deze tijd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *